up send share facebook twitter linkedin

Geweld in de wereld: “We móéten iets doen”

Gepubliceerd op 14 september 2014

Je hoeft de krant maar open te slaan of je leest koppen als ‘de wereld staat in brand’ en ‘nog nooit zoveel onheil rond Europa’. Mensen die pogingen wagen om het geweld te verklaren, die motieven van geweldplegers proberen te duiden, worden al snel weggezet als goedpraters, terwijl begrijpen iets heel anders is dan ergens begrip voor hebben.

Over de verklaringen van het geweld van IS schreef Elma Drayer laatst in een opiniestuk in de Trouw dat ze één ding gemeen hadden: ze slaan nergens op. “Dikwijls vallen in zulke verklaringen begrippen als 'voedingsbodem' of 'armoede'. Als we nou maar 'gerichte hulp' bij de oplossing van 'praktische problemen' in de moslimwereld zouden bieden, dan zouden we "deels het ongenoegen kunnen wegnemen dat mensen in de armen van extremisten drijft". Ofwel: een volle maag en Isis heeft voortaan het nakijken.”

Ook de opmerking van de Nijmeegse theoloog Erik Borgman eerder in de Trouw “we moeten de vraag durven stellen of wat Isis nu doet in Irak ook iets over onszelf zegt” vatte ze schamper samen als: “de jongens van Isis zijn geen lieverdjes, maar wij zijn geen haar beter, hoor.”

Elma Drayer haar conclusies zijn enigszins cynisch, alsof kijken naar onze eigen rol, of de rol van westerse landen in het geweld op de wereld heel naïef is. Toch denk ik dat dit heel belangrijk is en we dat wel degelijk zouden moeten doen. Zonder met complottheorieën te komen, of de schuld voor alle ellende bij ‘het Westen’ te leggen, ben ik van mening dat wij in grote mate verantwoordelijk zijn, en wel door onze manier van handeldrijven. Als handelscontracten in stand blijven en geen sancties volgen op het moment dat een land ernstige mensenrechten schendt, als er wapens worden verhandeld als er oorlog dreigt, als olie belangrijker is dan levens van mensen dan doe je alsof mensenrechten en vrede zaken zijn die alleen ons toebehoren. Men blijft hiermee namelijk het regime van schendingen en geweld voeden.

De situatie van mensenrechtenverdedigers in Azerbaijan is daar een goed voorbeeld van. Hun leven, hun werk en hun organisaties is het de afgelopen jaar steeds moeilijker gemaakt. Op dit moment zitten er 98 activisten in de gevangenis, waaronder Leyla Yunus en haar man, door Amnesty International gezien als gewetensgevangenen. Leyla's gezondheid is zorgwekkend en er zijn sterke aanwijzingen dat haar man gemarted wordt. Molly Scott Cato, een lid van het Europese Parlement, schrijft in haar artikel What lies behind Europe’s murky oil deals with Azerbaijan over hoe het Europese belang in olie er voor zorgt dat Azerbaijan straffeloos door kan gaan met het oppakken en zelfs martelen van politieke tegenstanders.

Den Haag staat bekend als de internationale Hoofdstad van het Recht, mensenrechten zijn geworteld in onze samenleving. Toch lijken we slechts toe te kijken als er schendingen of oorlogsmisdaden gepleegd worden in andere landen (of bij vluchtelingen in ons eigen land, maar dat is weer een ander verhaal). En als we dan tóch vinden dat we iets moeten doen is het altijd militair ingrijpen. Naast het feit dat ik denk dat je daar weinig mee bereikt vind ik het schokkend en kortzichtig dat er altijd voor symptoombestrijding wordt gekozen. Want die 'voedingsbodem' of 'armoede' waar Elma Drayer bagatelliserend over schrijft houden wij wel degelijk in stand met ons handel- en buitenlandbeleid.

Een ander voorbeeld is Israël, dat al decennia lang de mensenrechten van Palestijnen schendt en internationale verdragen aan haar laars lapt. Hoewel de regering zich hier mondjesmaat af en toe een beetje tegen uitspreekt blijven we intensief handeldrijven, worden bilaterale banden verdiept, wordt er samengewerkt op militair gebied en worden er dús nooit stappen ondernomen om de mensenrechten van Palestijnen te waarborgen. “Het Westen blaft wel, maar steunt ons toch. Vanuit het buitenland is er geen wezenlijke druk om met oorlogvoeren te stoppen. Het wachten is dan ook op de volgende geweldsuitbarsting," aldus de Israëlische filmmaker Jotam Feldman in Trouw.

In een monitor van het Nederlandse Midden-Oostenbeleid van 2012 is de uitspraak van Rosenthal te lezen dat als landen geen respect tonen voor de mensenrechten of hun internationale verplichtingen niet nakomen, ze daarvan de consequenties moeten voelen. De monitor concludeert: “In de betrekkingen met Israël heerste daarentegen de totale onvoorwaardelijkheid.” Dit geldt echter niet alleen voor Israël maar ook andere landen waar politiek of economisch iets te halen valt. Zo heeft Amnesty International al meerdere malen de noodklok geluid ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Saoedi Arabië, maar concludeerde dat Nederland een gebrekkige steun voor hen is.

Als conclusie wil ik deze blog graag afsluiten met een quote van volkenrechtsdeskundige Paul de Waart, uit het boek De laatste oorlog van Jan Marijnissen en Karel Glastra van Loon. “Als we daadwerkelijk iets willen doen aan de oorzaken van het geweld in de wereld , dan moeten we durven kijken naar onze handelsbetrekkingen. Die onttrekken zich tot op heden goeddeels aan de openheid die je in een democratie mag verwachten. De World Trade Organization laat zaken als mensenrechten geheel buiten schot. Dat kan natuurlijk niet. Democratie moet een levenshouding zijn die tot uitdrukking komt in al onze gedragingen. Dus ook in handel.”

(Photo Credit: vaXzine via Compfight cc)