up send share facebook twitter linkedin

Max Havelaar en de kledingindustrie

Gepubliceerd op 11 december 2013

“Minister van Koloniën, ge hebt te bewijzen dat de bevolking niet mishandeld wordt, onverschillig of er sentimentele Saïdjahs onder die bevolking zijn. Of zoudt ge durven beweren buffels te mogen stelen van lieden die niet beminnen, die geen droefgeestige liedjes zingen, die niet droefgeestig zijn?”

Dit is Havelaars rechtstreekse aanklacht aan de minister van koloniën over de mishandeling van Javanen door het Nederlandse bestuur aldaar. De mishandeling gaat over onderdrukking maar vooral ook over uitbuiting. Havelaar beschuldigt de regent ervan misbruik te maken van zijn onderhorigen, afpersing en het vorderen van opbrengsten tegen een willekeurig vastgestelde, onvoldoende betaling.

In feite werden de kolonisten rijk ten koste van de Javanen. “Er waren daar nog meer mensen uit de Oost, onder anderen een heer die heel rijk was, en nog altijd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de Regering van hem koopt voor een hoge prijs, om de werkzaamheid van die Javanen aan te moedigen.”

Gek dat zo’n boek, zo’n aanklacht, na zovele jaren nog steeds actueel is, hetzij in andere landen, in andere vormen en branches en in het belang van andere partijen. Voor een schamel loontje werken namelijk elke dag weer miljoenen mensen zich uit de naad om onze kleren in elkaar te naaien. De omstandigheden zijn niet om over naar huis te schrijven. Er zijn werknemers die flauwvallen in de hete fabrieken en soms storten zelfs hele werkruimtes in, met veel gewonden en doden tot gevolg. Voorbeelden te over.

Het probleem is dat een oplossing ver te zoeken lijkt. Zo was de vakbondsdemonstratie in Cambodja van begin november neergeslagen met ten minste één dode en zes gevonden tot gevolg. In de documentaire van Mirjam Sterk wordt verteld dat alle vier de voormalige leiders van de vakbond zijn vermoord. Verbetering van de situatie is dus ingewikkeld, maar niet minder noodzakelijk.

In Max Havelaar roept Multatuli de Nederlandse regering ter verantwoording, maar door de globalisering en grensoverstijgende handelscontacten is dat tegenwoordig wat lastiger vol te houden. Uiteraard kan en zou de politiek hier iets mee moeten doen, maar meer nog moeten er internationale afspraken overgemaakt worden binnen de branche zelf. En wij kunnen ze daarbij helpen. Als consument kunnen wij eisen stellen aan een product. Bijvoorbeeld dat het voor een eerlijke prijs is geproduceerd en dat het onder goede werkomstandigheden is gebeurd.

Wij moeten hier natuurlijk in kleren rondlopen, maar terwijl je kleren koopt kun je druk uitoefenen op winkel(keten)s. Bijvoorbeeld door te vragen wat zij doen aan eerlijke arbeidsomstandigheden van de werknemers in de fabrieken en door aan te geven dat jij dit een belangrijk thema vindt. Er zijn verschillende manieren om iets te doen. Op Rank a Brand kun je zien hoe duurzaam jouw favoriete winkel is. Op de site van de Fair Wear Foundation kun je een eigen boodschappenlijstje maken met eerlijke merken. En op deze site kun je een email sturen naar een winkel naar keuze (of meerdere) om te horen wat hun beleid is aangaande de rechten van de fabrieksarbeiders.

Ook Multatuli doet een beroep op de lezer, de gewone man, staatslieden, letterkundigen, handelaren die belang hebben bij de koffieveilingen, etc. “Ja, ik wil gelezen worden. Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het is me niet te doen om goed te schrijven.. ik wilde zó schrijven dat het gehoord werd. En, even als iemand die roept: ‘houdt de dief!’ zich weinig bekommert over de stijl zijner geïmproviseerde toespraak aan ’t publiek, is’t ook mij geheel om ’t even hoe men de wijze zal beoordelen waarop ik mijn ‘houdt de dief’ heb uitgeschreeuwd.”

Ik zie zo voor me dat generaties na ons lezen over deze moderne vorm van slavernij en zich afvragen: ‘Hoe hebben ze dat toch zo lang laten gebeuren?’ We moeten begrijpen dat het zo langer niet meer kan en wat mij betreft hoe eerder hoe beter hier een einde aan maken.