up send share facebook twitter linkedin

Religieus onderwijs ter discussie

Gepubliceerd op 26 juli 2013

Vrijheid van onderwijs is in Nederland een klassiek grondrecht, maar wel een die als sinds de oprichting veel discussie teweeg heeft gebracht. Sinds de eerste onderwijswet daterend van 1806 heeft er in Nederland nog lang een zogenaamde scholenstrijd gewoed. Vanaf 1917 is er de wet die gelijke subsidiëring voorstelt aan openbaar en bijzonder onderwijs. De subsidiëring voor bijzonder onderwijs is typisch Nederlands, in veel andere landen gebeurt dit niet.

Vorig jaar heb ik mijn bachelor scriptie geschreven over islamitisch onderwijs in Nederland. Daarin schreef ik voornamelijk over de negatieve houding van media en de politiek ten opzichte van deze scholen waarbij dan wel werd gepleit voor de afschaffing van islamitische scholen dan wel voor het bemoeilijken van het proces voor het oprichten van deze scholen. De vraag of er überhaupt nog scholen gesticht moeten kunnen worden op grond van godsdienst of levensovertuiging kwam toen ook weer de hoek om kijken. Zo bepleitte de Utrechtse wethouder Rinda den Besten in 2009 voor de afschaffing van artikel 23 van de grondwet. Ze kreeg toen enige bereidheid in de Tweede Kamer om hierover in discussie te gaan. Komt deze wens voort uit een idee dat het makkelijker, goedkoper, praktischer is, of heeft het te maken met een groeiende religieuze intolerantie? (En dan niet intolerantie van religies maar juist de seculiere intolerantie jegens religie.)

Iets minder vergaande ideeën gaan niet over het bestaansrecht van bijzondere scholen maar over de bekostiging ervan. Schaf de subsidies af, dan heb je minder bijzondere scholen waardoor er ook gelijk een betere integratie is. Zou dat een goed plan zijn?

Op 13 juli jl. schreef staatssecretaris Dekker (OCW) een brief aan de Tweede Kamer over Artikel 23, genaamd Grondwet in maatschappelijk perspectief. Hierin schreef hij dat wat hem betreft het recht op het stichten van nieuwe scholen niet wordt afgeschaft maar juist wordt verruimd. Het huidige systeem is nog te veel toegespitst op een verzuilde samenleving wat voor problemen zorgt. Religieuze scholen worden almaar minder religieus, en doordat het onderwijsstelsel ‘op slot’ zit is het moeilijk om nieuwe scholen op te richten die beter bij de ‘bijzondere’ wensen van ouders en kinderen aansluiten.

‘De Onderwijsraad wil de mogelijkheden om scholen te stichten verruimen door richtingvrije planning in te voeren. Dit betekent dat een nieuwe school kan worden gesticht als voldoende ouders daartoe een aanvraag indienen, zonder dat daarbij het begrip richting van invloed is.’ (Dekker, 2013) Maar dan vraag ik mij af, hoe gaat deze verruiming dan zorgen dat er opeens wel ruimte is om nieuwe scholen te stichten als andere rooms-katholieke en protestants-christelijke blijven bestaan? Bas Levering, emeritus-lector algemene pedagogiek, betoogd in een artikel in het NRC Handelsblad (19 juli) dat er strengere eisen gesteld zouden moeten worden aan wat scholen met een bepaalde overtuiging aan persoonlijke vorming doen. Oftewel, controleren of het predicaat ‘bijzonder’ nog wel past bij de school.

Het is goed om bij tijd en wijle het artikel weer tegen het licht te houden en aan te passen aan maatschappelijke ontwikkelingen. Ik ben benieuwd waar dit debat toe leidt.