up send share facebook twitter linkedin

An introduction to the Hadith


Lisannes Blog
Boektitel
An introduction to the Hadith
Auteur(s)
John Burton
Taal
Engels
Beoordeling
✩ ✩
Tags
Geschiedenis, Islam, Religie, Wetenschap
Recenciedatum
15 november 2012
An introduction to the Hadith

{Review John Burton: An introduction to the Hadīth (Islamic surveys). xxvi, 210 pp. Edinburgh: Edinburgh University Press, 1994} Lisanne Boersma

[Inleiding] An introduction to the Hadith is een boek in de serie van Islamic Surveys. Deze boeken zijn bedoeld om studenten en algemeen geïnteresseerden kennis te laten nemen van een bepaald onderwerp, in dit geval de Hadīth. Burton legt in de inleiding gelijk uit wat de Hadīth zijn. Hadīth met een hoofdletter heeft betrekking op de gehele verzameling van literatuur, bestaande uit allemaal afzonderlijke korte hadīth (met een kleine letter h). Hij gaat hierbij ook in op de verschillen tussen Hadīth en Sunna. Deze termen worden vaak gebruikt als synoniemen, maar Burton geeft aan dat er een duidelijk verschil is; De Hadith zijn de teksten zelf, en Sunna is de inhoud of de theorie van deze teksten, dus de regels die volgen uit de teksten.

De Hadīth worden traditioneel beschouwd als de woorden van de profeet zoals die door zijn volgelingen herinnerd zijn. De mondelinge overleveringen zijn later op schrift opgesteld. In dit boek concentreert Burton zich echter vooral op de ontwikkeling van verschillende (religieuze) inzichten die in de Hādithliteratuur naar voren komen. Hierbij haalt hij hadīth- en Qur’anversen aan maar meer nog beschrijft hij wat islamitische geleerden in de eerste paar eeuwen van het ontstaan van de islam hierover schreven. Zijn grootse inspiratiebron zijn de geschriften van Ahmed en al-Shafi’i, maar ook Malik, Bukhāri, Muslim en vele anderen. Burton beschouwt de hadīths in deze studie als bespiegelingen op de Qur’an en niet als waarheidsgetrouwe uitspraken van Mohammed en zijn tijdgenoten. Burton kijkt naar de visies die in de hadīth naar voren komen en hoe deze visies invloed hebben gehad op verschillen geloofsstromingen.

Burton gaat in op de eerdere studies van Ignác Goldziher (1850-1921) en Joseph Schacht (1902-1969). Hoewel veel van hun onderzoeken bruikbaar voor Burton zijn - hij stelt dat Goldziher de fundamenten heeft gelegd voor de moderne westerse analyses van de Hadīth - heeft Burton ook kritiek op hun visies. Goldziher ziet hadīth als ‘uitvindingen’ om verschillende visies en bestaande regels te rechtvaardigen en om meer duidelijkheid te geven over kwesties die in de Qur’an te onbeduidend blijven. Voor Goldzihers theorie is het van belang dat hij een duidelijk verschil te maakt tussen sterke en zwakke hādith. Goldziher ziet geen reden om zwakke hadīth (hādith die later als onbetrouwbaar zijn beoordeeld) te onderzoeken want dat ze als zodanig zijn beoordeeld laat volgens hem zien dat ze niet binnen een bepaalde school of stroming pasten.

Burton kan zich niet met dit standpunt vereenzelvigen. Hij wil bij het onderzoeken naar de oorsprong van de Hadīth kijken naar zowel de zwakke als de sterke Hadīth. Hierbij gaat hij op zoek naar een onderliggende gezamenlijke kern. Volgens hem is dat de zoektocht naar het ontrafelen van de geheimen van de Qur’an. Deze geheimen zijn volgens hem het gevolg van de onduidelijkheid van het heilige boek. Om te kijken hoe me omging met deze onduidelijkheid zul je zowel de sterke als de zwakke hadiths moeten onderzoeken. De Qur’an is voor Burton van groot belang om mee te nemen in het onderzoek, daar de Hadith volgens hem door de onduidelijkheid van de Qur’an zijn ontstaan. Hij vindt dat zowel Goldziher als Schacht hier te weinig aandacht aan geschonken hebben doordat ze zich te veel hebben geconcentreerd op de conflicten die zijn ontstaan bij de ontwikkeling van de Hadīth zelf.

Een ander twistpunt tussen Burton en Schacht gaat over de rol van de Hadīth voor de wetgeving. Schacht stelt dat Hadīth ten tijden van de Ummayaden materiaal was voor juristen en stelt fiqh (legal literature) gelijk aan wetgeving. Volgens Burton is dit niet hetzelfde: “fiqh is not law”. Via de exegese van ‘legal literature’ kunnen wetten ontstaan, maar meer nog is deze ‘legal literature’ een reflectie van de onduidelijke regels uit de Qur’an. Hiermee wil Burton laten zien dat de ontwikkeling van de Hadīth tot wetgeving een langere weg heeft afgelegd dan door Schacht wordt verondersteld. Er zijn verschillende hadīths ontstaan, die later zijn onderzocht en beoordeeld waar later een regelgeving op gebaseerd werd. Deze ontwikkeling werkt Burton uit in hoofdstukken 4.

Schacht plaatste vraagtekens bij de link tussen de Hadīth en Mohammed. Hij vroeg zich af of de Hādith echt uitspraken bevat van Mohammed, en zelfs of Mohammed echt heeft bestaan. Voor Burton zijn deze vragen minder belangrijk omdat hij de Hadīth ziet (samen met de Qur’an) als de basis voor het islamitisch politieke, rechterlijke en doctrinaire denken. Daarbij is het vooral van belang dat de mensen zelf geloofden dat de uitspraken van Mohammed afkomstig waren. Met deze visie is Burton tussen de theologische en historisch-kritische benadering te plaatsen. Hij onderzoekt niet het waarheidsgehalte van de Hadith, of het bestaan van Mohammed, zoals bij een historisch kritische benadering zou gebeuren. Aan de andere kant gaat hij er ook niet van uit dat was in de Qur’an staat waar is en dat de hadīths daadwerkelijke uitspraken van de profeet waren zoals bij een theologische visie. Hij staat hier tussenin door zich niet met waarheidsclaims bezig te houden, maar alleen te kijken naar de visies ten aan zien van Hadith en de Qur’an in de eerste eeuwen van het ontstaan van de islam en hoe deze visies zich hebben ontwikkeld.

[Samenvatting] In hoofdstuk 1, The islamic tradition gaat Burton in op het leven van Mohammed. Dit is een korte maar duidelijke biografie van de profeet zoals er traditioneel over hem wordt geschreven. Er is een indeling gemaakt tussen de Mekkaanse tijd en de periode in Medina. Er wordt een omgeving geschetst waarin de profeet leefde en wat het toneel vormt voor de Hadīth. Bij het onderwerp ‘kritiek op Burton’ zal nog wat uitgebreider ingegaan worden op dit hoofdstuk.

In hoofdstuk 2 wordt de islamitische traditie behandeld. Burton beschrijft hier onder andere de ontwikkeling van Hadīth, van orale overleveringen tot verzamelde stukken tekst die geanalyseerd en beoordeeld werden. Opvallend hierbij is dat hij veel begrippen en fenomenen uitlegt aan de hand van Christelijke begrippen. Zo schrijft hij bijvoorbeeld “Thus, as Christ is to Christians, the Quran is to Muslims”. Aan deze uitleg kun je zien dat het beoogde publiek vooral westerse studenten en geïnteresseerden zijn. Hij gaat in dit hoofdstuk ook kort in op het verschil in onderzoek door moslims en niet-moslims. Hij stelt dat het grootste verschil erin ligt dat Moslims er vanuit gaan dat Mohammed altijd al de centrale rol binnen de islam heeft gehad, terwijl niet-moslims dit bevragen en onderzoeken of dat beeld later is geconstrueerd. Hij eindigt met de stelling dat door de verscheidenheid aan opinies binnen de hadīths op verschillende plaatsen en in verschillende generaties, de westerse geleerden de traditie gingen beschouwen als een resultaat van religieuze, historische en sociale ontwikkelingen binnen de Islam tijdens de eerste twee eeuwen.

In hoofdstuk 3 wordt de politieke dimensie van de Hadīth behandeld. Zo werden volgens Burton sommige hadīth gebruikt om legitimeren dat bepaalde politieke figuren Mohammed zouden opvolgen. De Sunna werd ook gebruikt om bepaalde religieuze overeenstemming te bereiken, om zo een eenheid te vormen binnen de islam. Burton noemt hierbij de toen gebruikte term ‘people of the sunna and unity’.

Het hoofdstuk wat hierop volgt is het uitgebreidst en gaat over de studie van de Hadīth. Burton gaat hier in op het verschil tussen pure en toegepaste exegese. Dit doet hij aan de hand van de thema’s vasten, bidden en huwelijk. Er is sprake van pure exegese als een hadīth direct afkomstig is van een tekst uit de Qur’an, terwijl bij het laatste de oorsprong later bediscussieerd wordt. Dit is een belangrijk hoofdstuk omdat Burton hier laat zien hoe de Hadith collecties tot stand zijn gekomen. Hier is een hele ontwikkeling in geweest van verschillende denkbeelden die in hadīths naar voren kwamen en de selectie van ‘juiste’ hadīth die uiteindelijk hebben geleid tot de heersende islamitische doctrines. Een voorbeeld dat Burton hier heeft aangehaald is de kwestie omtrent het bidden op reis. In de Qur’an 4.101 staat dat alleen soldaten een uitzondering hebben om het vijf maal daags bidden, in verband met het dreigende gevaar. Later zijn er echter ook berichten overgeleverd waar ook voor reizigers deze uitzondering werd gemaakt. Hierover is veel discussie geweest. De kalief Umar heeft hier uiteindelijk over besloten dat dit niet gezien moet worden als een verkorte vorm van bidden, maar dat het een andere onafhankelijke manier van bidden is. Deze vorm is geoorloofd is als je lang van huis bent opdat je niet wordt aangevallen door ongelovigen.

Hoofdstuk 5 behandelt Burton de theologische dimensie. Hij begint met een theologische discussie omtrent de vrije wil van de mens en de predestinatie, het lot bepaald door God. In de Qur’an staan vele voorbeelden waaruit de voorbeschikking wordt bepleit, maar tegelijkertijd wordt de mens opgeroepen tot het verrichten van goede daden en het uitvoeren van religieuze handelingen. De Hadīth benadrukt echter vooral de absolute afhankelijkheid van de schepper en beperkt de waarde van het eigen handelen en schept daarmee een theologie in de richting van predestinatie. Verderop in dit hoofdstuk worden ook Hadīth behandeld die gaan over het aanschouwen van God, wonderen, ethische voorschriften en de roepingen om tot God te komen.

Hoofdstuk 6 heet ‘verificatie van de Hadīth’. Burton legt uit dat al erg vroeg in de ontstaansgeschiedenis van de islam mensen zich bewust waren dat er valse Hadīth in omloop waren. De herkomst ven de berichten waren daarom van groot belang. De herkomst werd weergegeven via Isnaad, de keten van overleveraard. Al vroeg werd er studie gemaakt naar deze Isnaad om de authenticiteit van een hadīth te kunnen waarborgen. De hadīths werden geclassificeerd aan de hand van de kwaliteit van de isnaad. Hierbij werd gekeken naar de betrouwbaarheid van de overleveraars en of de keten compleet is. Er werd gekozen voor de overleveraar die adil is (kort gezegd een goede moslim), thiqa (betrouwbaar), thābit, dābit (accuraat) en hāfiz heeft (grote kracht van het geheugen). Op basis van deze kwaliteiten werden hadīths bestempeld als betrouwbaar (sāhih), goed (hasan), of zwak (daīf). Ook werden hadīths ingedeeld op basis van de isnād zelf; ondersteund (musnad, wanneer er een duidelijke link is tussen de verschillende overleveraard), aangesloten (muttasil, wanneer de connecties aanvaardbaar zijn) gestopt (mawgūf, wanneer het einde van de isnād (ontbreekt), verheven (marfū, als een goede isnād terug gaat tot de profeet), gebroken (maqtū, wanneer de overleveraar niet bekend is, of geen tijdgenoot is geweest van de profeet) of onaangeraakt (mursal, wanneer er een gat valt van één generatie in de keten). In deze studie wordt door Burton vooral Shāfī`i geroemd, omdat hij de systematisering van beoordelingen van hādith zo heeft uitgewerkt dat het tot op de dag van vandaag heersende normen zijn. Het ontstaan van de isnāds wil Burton later in de geschiedenis plaatsen dan door de orthodoxie soms wordt gesteld; hij wijst de datum van ongeveer 25 jaar AH van de hand. Er werd in die tijd wellicht ook al wel een bron genoemd, maar dat was nog niet zo gesystematiseerd dat je van een isnād kon spreken. Hij stelt dat dan pas het geval was aan het eind van de tweede, begin van de derde islamitische eeuw. Burton wijst Mālik († 179/795) aan als pionier op het gebied van nauwkeurig onderzoek naar isnāds.

Hoofdstuk 7 draagt de titel ‘The Hadīth Collections’. Hier worden aan de hand van de subtitels ‘examples of procedure’, ‘the application of the experts’ rule’, ‘confused Hadīths’ en ‘the fabrication of Hadīths’ een schets gegeven van hoe de Hadīths verzameld werden en hoe de collecties eruit zagen. De eerste collecties die werden uitgegeven waren rond het einde van de tweede, begin van de derde eeuw. Burton beschrijft twee type collecties, de verzamelde Hadīth van één persoon, of de verzameling geordend op onderwerp. Ook wordt de rol van deze Hadīthcollecties in de islamitische samenleving beschreven.

In hoofdstuk 8 bespreekt Burton ´the Western approach to the Hadīth´. Volgens hem kun je de moderne studie van Hadīth in het westen laten beginnen bij Goldziher, die zijn boek publiceerde in 1889-90. Zijn grootste bijdrage was zijn herkenning dat de vele contradicties in de hadīths herleidbaar waren naar de concurrentie tussen verschillende politieke stromingen. Echter, hij nam te veel aan van de rivaliserende partijen als de Shīa en de Khawārij over de Ummayaden om hier terechte conclusies aan te verbinden. Schacht had deze conclusie later herzien, maar ging ook uit van Goldzihers principe dat Hadīth ‘mere fabrications’ waren. Schacht werkt ook het idee van Goldziher verder uit dat de vertegenwoordigers van de juridische scholen in de generatie van Shafii onder druk kwamen te staan door de Hadīth partij (traditionalisten) die meer nadruk wilde leggen op de strikte navolging van de Hadīth voor de wettelijke uitspraken op alle onderwerpen. Burton bespreekt hier ook zijn kritiek op beide wetenschappers, zoals reeds genoemd is in de inleiding van deze review. De titel van dit hoofdstuk is niet helemaal dekkend voor alle onderwerpen die hier aan bod komen, want ook Shafiis bijdrage aan de Hadīth studie wordt hier geschetst, met name de rol die hij aan ijmā (consensus) toekende. Het was belangrijk dat een oordeel gedragen werd door de ulama om het meer zeggenschap toe te kennen.

In de conclusie komt nogmaals Al-Shafi’i uitgebreid aan bod. Shafi’i stelt dat je God kunt gehoorzamen door Mohammed te gehoorzamen door de Sunna te gehoorzamen. Om een goede hadīth te volgen is het belangrijk om de authenticiteit te kunnen garanderen. Shafi’i heeft daarom grote studie gedaan naar de isnād. Hij maakt onderscheid tussen isnāds die te vertrouwen zijn en die niet te vertrouwen zijn, wat Burton dus zelf niet heel belangrijk vindt in de studie naar de ‘origins of the Hadīth’. In de Hadīth wetenschap is niet alleen discussie geweest over isnād , maar ook over de matn (de tetst van de hādith, dus zonder de isnād). Deze discussie was ‘not so rare as it is sometimes claimed’ zo stelt Burton. Er waren niet alleen maar conflicten over welke hadīth meer (politieke) erkenning moest krijgen door een al dan niet sterke isnād, maar er waren ook theologische en filosofische studies naar de inhoud van de hadīth. Erkenning van zowel matn als isnaad verschilt per plaats en tijd, maar ook per onderwerp. Hadīths over esthetiek werden minder streng beoordeeld dan een hadīth wat betrekking heeft tot de wet. Shafii kent in zijn methode een grote plaats aan ijmātoe. Ijmā is belangrijk voor de verificatie van een hadīth, en geeft aan wanneer een hadīth onbetwistbaar is. Al-Shafi’i speelt een belangrijke rol in het boek van Burton, David Weines schrijft hierover in zijn review zelfs dat het lijkt alsof de geest van Shafi`i over de schouder van Burton meekijkt.

[Conclusie] Burton wijst Ahmed maar vooral Al-Shafii aan als sleutelfiguur in de creatie van de islamitische traditie. In de tweede eeuw werden hādiths belangrijke materie voor intellectuele debatten, daar ze door al-Shafii veel aanzien hadden gekregen en dus sterke argumenten waren voor theologische, filosofische en historische vraagstukken. Het is sinds deze tijd dat de Qur’an en de Sunna van de profeet als twee op zichzelf staande bronnen gezien werden die de basis vormde voor de wetgeving.

Dat Shafi`i en Ahmed zo invloedrijk zijn geweest is gebleken uit het feit dat er ongeveer 1000 jaar met hun argumenten weerstand is geboden aan externe of interne kritiek op de Hadīth. Ook op Goldziher is vanuit de orthodoxie gereageerd al zou hij onwetenschappelijke methoden gebruiken en zou hij jaloers zijn op de enige religie die is gezegend met de isnād.

Burtons positie hierin is die van de middenweg; hoewel ook hij reserveringen heeft ten aanzien van Goldziher en Schacht wil hij niet helemaal verwerpen dat de Hadīth uitvindingen en creaties zijn, want dan mis je het punt dat ze een teken zijn van de eerste exegese van de Qur’an. Op die manier kunnen Hadīth gezien worden als reflectie van de manier van denken van moslims uit de tijd van Mohammed dan wel tot twee eeuwen erna.

Burton is niet heel vernieuwend in zijn methode en zijn bevindingen, maar dat is, mijns inziens ook niet het doel van dit boek. Het is tenslotte een ‘introduction’ in de serie van de Islamic Surveys, bedoeld voor studenten en algemeen geïnteresseerden. Dit is te merken aan de algemene uitleggen die hij vaak geeft. Bijvoorbeeld de bespreking van de kwestie rondom het ontstaan van de isnād. Hij doet dit aan de hand van verschillende opvattingen die hierover bekend zijn. Zelf noemt hij de tweede islamitische eeuw als beginpunt voor het ontstaan van de isnād. Dit is geen nieuw inzicht, maar hij legt dit standpunt uit als tegenhanger van het idee dat isnāds al bestonden sinds 25 jaar na de dood van Mohammed. Een andere rede waarom het duidelijk een boek voor studenten is, is omdat er achter in het boek een glossery te vinden is met uitleg over allerlei begrippen, een index en een kopje ‘futher reading’ met titels voor vervolgstudie.

[Krtiek op Burton] In de review van Rubin wordt commentaar gegeven op Burtons erg nauwe, functionalistische benadering van de Hadīth. Zoals gezegd benadert Burton de Hadīth als bron om de exegetische discussie over de Qur’an uit de eerste eeuwen na de hijra weer te geven. Hadīths kunnen dan geen op zichzelf staande uitspraken van de profeet bevatten. De vraag die gesteld wordt door de recensent is dus of Burton met zijn benadering de hele lading van de Hadīth dekt. Naar mijn mening is dit enigszins onterechte kritiek, want Burton geeft juist aan waarom hij voor deze benadering kiest. Hij schrijft namelijk dat traditioneel de Hadīth wordt gezien als ‘literature parallel wit hand thus lying wholly outside the Holy Qur’an’. Hij wil echter aan dit beeld toevoegen dat het niet geheel onafhankelijk van de Quran staat, en wil de reflectie laten zien die de Hadīth op de Qur’an volgens hem weergeeft.

Een tweede kritiekpunt is dat hij enerzijds Hadīechth zegt te gebruiken als exegetische discussies, anderzijds lijkt hij zelf ook in de verleiding te zijn gekomen om sommige hadīths als historische gegevens aan te nemen. Dit doet hij bijvoorbeeld in het hoofdstuk over het leven van Mohammed, hoofdstuk 1. Veel van de gebeurtenissen uit het leven van de profeet die in het boek door Burton worden beschreven om een beeld te geven van de tijd van de profeet zijn afkomstig uit overleveringen van Hadīth. Bijvoorbeeld dat Mohammed eerst in Mekka woonde en later in Medina. Op deze manier lijkt de keuze om de inhoud van de Hadīth voor waar aan te nemen of als reflectie te gebruiken dan min of meer arbitrair. Burton geeft duidelijk aan dat hij de waarheid van de Qur’an in dit boek niet ter discussie wilt stellen, juist om de Hadīth hieraan te toetsen, maar in dat geval kun je dus niet de inhoud van de Hadīth als feiten presenteren.

[Bronnen] - John Burton: An introduction to the Hadīth (Islamic surveys). xxvi, 210 pp. Edinburgh: Edinburgh University Press, 1994. - David Waines, An introduction to the hadīth by John Burton, Journal of Middle Eastern Studies, vol. 23, No. 2 (nov. 1996) pp 203-204. - Uri Rubin, Bulletin of the School of Oriental and African Studies, University of London, Vol. 59, No. 2 (1996), pp. 340-341.